Het beloofde een mini babyboom te worden, deze zomer. Alle drie mijn schoonzussen verwachtten een kleintje, en ik zou de laatste zijn in de rij met onze uitgerekende datum in september. In mijn hoofd fantaseerde ik al over het voorjaar, waar we toch zéker wel een momentje zouden vinden om een foto te maken van ons vieren. Alle vier tegelijkertijd zwanger? Dat zou écht nooit meer voorkomen.
Het liep anders.
Zij bleven in verwachting, ik raakte uit verwachting.
Waar prachtige buiken groeiden en ronder werden, bleef de mijne akelig leeg. En met een droom die in duigen viel, werd ik ook geconfronteerd met toekomstbeelden die totaal anders uitpakten. Want waar ik eerst nog liefdevol kon fantaseren over het moment waarop ik – in hoogzwangere toestand – mijn baby-neefjes voor het eerst zou knuffelen, had ik nu mijn handen vol en tegelijkertijd een gat in mijn hart. Maar ik was écht heel erg blij voor ze. Oprecht, gunde hen alle geluk van de wereld. De kleine vingertjes en tenen, de kreuntjes en huiltjes, de geur van een pasgeboren frummel: heer-lijk.
Maar ik was ook verdrietig. En daar begreep ik in het begin helemaal niks van.
Het leek alsof ik de zwangerschappen in mijn omgeving heel goed kon ‘hebben’. Ik kon geluk ervaren voor een ander, blij zijn en oprecht uitkijken naar de komst van een klein wondertje. “Dan ben ik oké, toch?”, heb ik meerdere malen tegen mezelf gezegd. Hoe kun je namelijk blij zijn en tegelijkertijd ook verdriet voelen? Lijkt me enorm lastig. En tóch ervoer ik het wel zo. Ik kon enthousiast vragen naar de status van de babykamer, om vervolgens thuis te komen met een knoop in mijn maag. Met liefde een luiertje verschonen, en tegelijkertijd mezelf afvragen: waar is mijn kindje gebleven? En ja, al die emoties tegelijkertijd ervaren ís ook verdomde lastig. Het is verwarrend. Lang niet altijd logisch. Maar verdriet na een miskraam houdt zich dan ook niet aan regels. Geen fijne, lineaire lijn. En het vraagt al helemaal niet om toestemming voordat het zich aandoet. Het is er gewoon, ineens. Vaak onverwachts. En dat gaat dan vaak ook nog eens samen met een bak aan schuldgevoelens.
“Ik kan toch niet verdrietig zijn om het geluk van iemand anders?”
“Mijn verdriet is toch niet groter of belangrijker dan het geluk van een ander?”
“Maar ik ben toch vooral heel erg blij voor ze?”
“Ik gun het ze toch vooral? Mijn verdriet mag niets afdoen aan de blijdschap van een ander.”
Little did I know dat ik daarmee mijn verdriet een beetje aan de kant schoof. Want het kan wél: geluk en verdriet tegelijkertijd ervaren. Door dat verdriet niet toe te laten, stapelt het zich op. En beetje bij beetje werd ik steeds meer overmand door gevoelens van somberheid, totdat ik niet anders meer kon dan de vloedgolf over me heen laten spoelen. Tranen met tuiten. Ja, ik was ontzettend blij – én dus ook heel erg verdrietig. De komst van nieuw leven raakte namelijk ook precies dat ene gaatje in mijn hart, en de leegte die daarmee gepaard gaat. Een leegte waar ik nog steeds vorm aan moet geven. Dat gaat met vallen en opstaan, maar wat in elk geval helpt is het herkennen én vooral ook erkennen van emoties. Boosheid, verdriet of frustratie kunnen prima samengaan met blijheid, geluk en tevredenheid. Soms is het voldoende om het te benoemen, soms helpt het om even afleiding te zoeken en soms werkt het om het van je af te schrijven. Het ligt er helemaal aan wat bij jou past, en alles is goed: zolang je het maar niet wegstopt.
Ik weet nu dat mijn tranen de zwangerschap van een ander niet minder mooi maken. Mijn gemis maakt mijn liefde voor een ander kindje niet kleiner. En mijn verdriet neemt het geluk van een ander niet weg. Het is er gewoon allebei, en voor beiden mag die ruimte er zijn. Sterker nog, ik wil voor beiden die ruimte máken. Dus ik praat. Ik schrijf. Huil. Maar ik lach ook. Ik geniet. Heb lief.
Het kan, het mag – en dat gun ik jou ook.
